De Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht doen hun uiterste best om het aantal dieren dat wordt gedood zonder te zijn ingezet voor onderzoek of onderwijs tot een minimum te beperken. In 2025 zijn 10.843 dieren gedood zonder te zijn ingezet. NB: in het jaarverslag van 2024 is abusievelijk het getal 9.622 vermeld. Het werkelijke aantal gedood zonder te zijn ingezet in 2024 is 12.005. Dus hoewel er sprake lijkt van een toename is er in 2025 juist sprake van een afname van 1.162 dieren.
De groep proefdieren die gedood worden zonder te zijn ingezet voor onderzoek of onderwijs valt uiteen in twee deelgroepen. In de eerste plaats zijn er ouderdieren waarmee gefokt wordt en die op den duur worden gedood om inteelt te voorkomen of omdat ze te oud worden, en daarbij ongeschikt zijn voor experimentele doeleinden. Dit zijn 4.895 dieren, voornamelijk genetisch gewijzigd.
De andere deelgroep betreft dieren die niet geschikt zijn voor experimentele doeleinden vanwege geslacht, leeftijd, genetisch profiel of gezondheidsproblemen. Ook die worden gedood, behalve een klein aantal dat kan en mag worden herplaatst bij particulieren. Het betreft 5.948 dieren.
Met enige regelmaat worden er gesprekken gevoerd met onderzoekers om na te gaan of de fokstrategie past bij de behoefte vanuit het vergunde onderzoek en er zeker van te zijn dat het aantal overtollige dieren zo laag mogelijk is, we kunnen hier met name in sturen in de categorie van dieren die niet geschikt zijn voor experimentele doeleinden.
Een klein aantal foklijnen van Utrechtse onderzoekers wordt beheerd door een externe vergunninghoudende instelling. Dieren van deze lijnen die zijn gedood zonder te zijn ingezet, worden geregistreerd door de betreffende instelling. Omwille van transparantie wordt sinds 2023 ook weergegeven hoeveel dieren van deze lijnen zijn gedood zonder te zijn ingezet. In 2025 waren dit 1.206 dieren. Dit zijn 417 dieren minder dan in 2024.