Ongerief is de wettelijke term voor alle negatieve ervaringen die proefdieren door dierproeven ervaren. Het is verplicht een indeling te maken naar licht, matig en ernstig ongerief, met als vierde categorie ‘terminaal’, een categorie die gebruikt wordt voor dierproeven waarbij het dier bij aanvang van de proef onder narcose wordt gebracht en na de proef niet meer bijkomt. Er wordt permanent naar gestreefd het ongeriefniveau zo laag mogelijk te houden.
De verhouding tussen de ongeriefcategorieën is iets gewijzigd in vergelijking met voorgaande jaren. Het percentage dieren dat licht ongerief ondervindt, is zowel binnen de Universiteit Utrecht (87%) als binnen het UMC Utrecht (44%) hoger dan voorgaande jaren.
Binnen de categorie licht ongerief worden ook de dieren gerekend die zonder voorafgaande handelingen gedood worden. Zij worden gebruikt als donor voor weefsel of organen. Deze categorie dieren wordt in Nederland geschaard onder de dierproeven. In andere Europese landen is dit niet het geval. Hier wordt het doden van dieren voor weefsel beschouwd als ‘relatieve vervanging’. In 2025 vielen van de 8.569 dierproeven met licht ongerief, 3.118 dierproeven (36%) in de categorie ‘gedood zonder voorafgaande handelingen’.
Terminaal betekent, dat alle handelingen aan het dier uitsluitend onder algemene verdoving worden verricht, dat het dier vervolgens niet meer bijkomt en dat het wordt gedood. Dit percentage is relatief laag (2%). Dit betekent niet, dat er zo weinig proefdieren gedood worden. De meeste andere proefdieren worden gedood nadat zij licht, matig of ernstig ongerief hebben ondergaan, omdat het voor de dierproef nodig is hun weefsels te bestuderen.